Veilig werken met gevaarlijke stoffen
Laatste update 28 januari 2025
Werknemers in de pluimveeverwerkende industrie kunnen in aanraking komen met enkele gevaarlijke stoffen. Deze richtlijn geeft bij verschillende werkzaamheden aan hoe gezondheids- en veiligheidsrisico’s beheerst kunnen worden bij het werken met gevaarlijke stoffen.
Risico
Gevaarlijke stoffen zijn stoffen die door hun eigenschappen en de specifieke omstandigheden een gevaar voor de gezondheid van werknemers kunnen opleveren. Blootstelling kan plaatsvinden langs drie wegen: bij inademen, huidcontact en inslikken. Bij verschillende werkzaamheden is er blootstelling mogelijk.
Eisen
Eisen bij het aanleveren van bulkgoed
Sommige producten worden via een tank-/bulkwagen aangeleverd of opgehaald, vaak op het buitenterrein buiten het zicht van iedereen. Uit het oogpunt van productveiligheid moet natuurlijk worden uitgesloten dat het product in de verkeerde silo of tank wordt geleverd. Ook vanuit veiligheid is van belang dat er op toegezien wordt dat de juiste koppelingen worden aangebracht. Direct toezicht is vereist, zeker als levering gebeurt door chauffeurs die moeite hebben met de Nederlandse of Engelse taal.
Pas koppelingen toe die voorkomen dat verkeerd materiaal op de leiding gelost kan worden. Speciale aandacht vraagt het aanbrengen van de aardklem om elektrische ontlading tegen te gaan. Risico's zijn verder voorkomen door duidelijke labels of markeringen aan de aansluitpunten. Verder worden alle installaties en aarding minstens jaarlijks gecontroleerd op een goede werking.
Eisen m.b.t. de opslag van gevaarlijke stoffen
Sommige opgeslagen producten kunnen met elkaar reageren en gevaarlijke situaties veroorzaken. Bijvoorbeeld chloorhoudende schoonmaakmiddelen en zuren (ontkalker) geven gevaarlijk chloorgas. Sommige producten kunnen als er brand uitbreekt gevaarlijke reacties geven. Daarom is het verplicht, als er grote hoeveelheden producten worden opgeslagen hiervoor speciale opslag voorzieningen te hebben. PGS-15 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen) beschrijft hoe gevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen. Uitgangspunt is dat op de werkplek alleen gebruikshoeveelheden aanwezig zijn, in een gesloten verpakking en voorzien van de juiste etiketten. De overige producten worden in speciale kasten of ruimtes opgeslagen. In tabel 1.1 en 1.2 van PGS-15 is weergegeven voor welke stoffen en voor welke hoeveelheden de voorschriften van PGS-15 gelden. Hieronder zijn belangrijke voorschriften weergegeven:
- Stoffen met verschillende gevaarcategorieën moeten gescheiden worden opgeslagen. Schadelijke/irriterende en corrosieve stoffen moeten worden opgeslagen in aparte kasten. Stoffen die met elkaar kunnen reageren (chloor en ammonia, basen en zuren enz. moeten van elkaar gescheiden worden gehouden: vloeistoffen elk in of op eigen lekbakken.
- De opslagplaats moet voldoende brandwerend zijn. Zie voor meer informatie PGS-15
- De opvangcapaciteit van de lekbak voor de gevaarlijke vloeistoffen moet tenminste 110% zijn van de inhoud van de grootste verpakking binnen de opslagvoorziening. Als 110% van de grootste verpakking minder is dan 10% van de totale inhoud van verpakkingen dan moet 10% van totale inhoud van verpakkingen worden aangehouden.
- Wanneer producten worden overgeheveld van de grootverpakking in kleine verpakkingen, dan dienen dergelijke werkzaamheden indien mogelijk buiten de opslagruimte plaats te vinden. Hier zijn dan ook de vereiste noodvoorzieningen aanwezig (lekbak, oogdouche, nooddouche e.d.).
- De opslag is afgesloten voor onbevoegden en er is een verbod op roken en open vuur binnen 2 meter.
- Een opslagruimte mag niet in een vluchtroute zijn gelegen zijn en mag het vluchten niet belemmeren.
- Gemorste of gelekte gevaarlijke stoffen moeten zo snel mogelijk worden opgeruimd. In of nabij de opslagruimte moeten materialen aanwezig zijn om deze gevaarlijke stoffen te immobiliseren, neutraliseren of absorberen.
- Bij de toegang zijn gevaarsymbolen zichtbaar van stoffen die er zich bevinden.
Binnen het bedrijf moet een duidelijke leesbare instructie aanwezig zijn met betrekking tot de te nemen maatregelen bij lekkage of calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
- Voor elke 200 m2 vloeroppervlakte van een opslagruimte moet ten minste één draagbaar blustoestel met een inhoud van 5 kg of 5 liter blusmiddel aanwezig zijn.
Als meer dan 2.500 kg gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, moet tijdens het verrichten van werkzaamheden een vakbekwame deskundige aanwezig zijn en moet van de opslag een actueel journaal bijgehouden worden.
- Voor opslag van brandgevaarlijke stoffen kan ook gebruik gemaakt worden van een brandveiligheidskast. De eisen aan zo’n brandveiligheidskast zijn ook terug te vinden in de laatst verschenen versie van PGS-15. Brandgevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen in een veiligheidskast met een branddoorslag en brandoverslag van minimaal 60 minuten.
Dieselmotorenemissie is kankerverwekkend. Er wordt daarom gezorgd dat er geen uitlaatgassen met dieselrook vrijkomen in bedrijfsruimten. Uitzondering daarop zijn de ruimten waar vrachtwagens, doorgaans van derden, binnen moeten zijn om te lossen. Kies, afhankelijk van de situatie, voor een of meer van de volgende maatregelen:
- Spreek waar mogelijk af met chauffeurs dat tijdens het laden of lossen de motor van de vrachtwagen zoveel mogelijk wordt uitgezet, zeker in (gedeeltelijk) besloten ruimten. Houd hier ook toezicht op.
- Plaats een opsteekfilter op de uitlaat. Dat is een vanaf buiten te monteren filter. Deze wordt ingeval van een cellulose-filter weggeworpen na een aantal maal gebruik. Indien dit een keramisch filter is, wordt deze geregenereerd/schoongebrand na een aantal maal gebruik. Aansluitmogelijkheden voor alle typen uitlaten zijn beschikbaar, ondermeer door een ‘blaasbalgsysteem’. Montage in enkele seconden. - - Montage, demontage en eventueel regenereren/schoonbranden moeten zorgvuldig gebeuren. Instructie voor betrokken werknemers is vereist. Gebruik alleen filters die staan op de VERT-lijst en/of Tüv gekeurd zijn.
- Maak gebruik van afzuigslangen. Voor vrijwel alle typen uitlaten, zowel boven, onder als opzij van voertuigen zijn afzuigslangen en aansluitingen verkrijgbaar. Die zuigen de dieselrook bij de bron af. Aansluiten en afkoppelen kost enige tijd (seconden). Kies in overleg met de leverancier/ installateur de juiste vorm (capaciteit, aansluiting, lengte slangen etc.).
- Instrueer werknemers hoe de slangen te gebruiken.
NB. Afzuigslangen kunnen als hinderlijk ervaren geluid produceren.
- Zorg voor voldoende ruimteventilatie/afzuiging bij binnenruimten en bij ruimten met een geringe of tijdelijke openingen naar de buitenlucht.
- Laat regelmatig metingen verrichten om de noodzaak tot verdere maatregelen te bepalen.
Zie voor uitlaatgassen van (hef)trucks de Richtlijn Intern transport en hijs- en hefmiddelen.
- Zie Richtlijn Binnenluchtkwaliteit en ventilatie.
- Zie daarvoor de Maatregelen m.b.t. de omgang met droogijs in de Richtlijn Werken met koude materialen.
Zie de Richtlijn Technische gassen in bedrijfsruimten.
Het laden van accu's brengt verschillende gevaren met zich mee. Elektrische risico's, explosiegevaar en ernstige verwonding door het accuzuur als er met loodaccu’s wordt gewerkt die niet ‘onderhoudsvrij’ zijn. Daarom gelden de volgende richtlijnen voor het inrichten van het werk op een acculaadplaats:
- Accu's en de installatie waarmee deze geladen worden, worden jaarlijks gekeurd door een deskundig persoon of instantie.
- De acculader is zodanig opgesteld dat aanrijden of beschadiging van de accu of de laadinstallatie en bijbehorende kabels is voorkomen.
- Alle kabels en stekkers zijn onbeschadigd.
- Accu's laden gebeurt alleen door aangewezen en geïnstrueerde werknemers.
- Bij accu's en acculaadinstallaties levert de leverancier een gebruiksaanwijzing. De werkzaamheden met accu's worden conform de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing uitgevoerd.
- Gebruik zo veel mogelijk onderhoudsvrije accu’s, zodat medewerkers niet bloot kunnen staan aan accuzuur. Als met (lood)accu's gewerkt wordt, waarbij de dop van de accu wordt afgehaald is er kans op contact met zuur en worden altijd handschoenen en gelaatbescherming gedragen en is een oogspoelmogelijkheid beschikbaar. Als zuur gewogen of zuur toegevoegd wordt, wordt ook een zuurvast schort gedragen.
- Voor een acculaadstation moet een Explosieveiligheidsdocument (EVD) conform ATEX 153 m.b.t. gasontploffingsgevaar worden opgesteld volgens de NPR 7910-1 en de nadere invulling in NPR 3299:2019.
- De ruimte waar accu's worden geladen is voldoende geventileerd zodat er geen gevaarlijke hoeveelheid explosief gas kan ontstaan. Dit wordt bepaald in het explosieveiligheidsdocument.
- Bij de inrichting van de acculaadplaats worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- De acculaadruimte is het beste te ventileren met natuurlijke ventilatie. Gebruik indien nodig geforceerde ventilatie;
- Voor de afvoer van vervuilde lucht naar buiten moeten de openingen zo hoog mogelijk zitten. Voor de aanvoer van verse lucht moeten de openingen zo laag mogelijk zitten;
- Voorkom hoeken in het plafond die niet door de ventilatiestroom worden bereikt.
- De ventilatie van een accuruimte moet zodanig zijn, dat een concentratie van 4% waterstofgas met vijfvoudige zekerheid niet kan worden bereikt. Een installatietechnisch deskundige kan vrij eenvoudig berekenen welke ventilatiecapaciteit nodig is.
- Klik hier voor de berekening van de benodigde ventilatie
- De inrichting van de ruimte waar accu's worden geladen en de ventilatievoorzieningen worden tenminste jaarlijks op goede inrichting en werking gecontroleerd.
- In een zone rondom de acculaadplaats zijn tijdens het laden, afhankelijk van het explosiegevaar, de elektrische voorzieningen en gereedschappen explosieveilig uitgevoerd. Open vuur en roken zijn uiteraard verboden.
- Het acculaadstation is duidelijk afgebakend en er zijn waarschuwingsborden geplaatst die aangeven dat er explosiegevaar kan optreden.
![]() ![]()
- Het tillen van accu's gebeurt met hulpmiddelen en deze zijn veilig (bij het verplaatsen maakt de accu geen onverwachte beweging, kan niet vallen e.d.).
- Binnen het bedrijf is op basis van de ATEX-richtlijn in kaart gebracht of er sprake kan zijn van explosierisico's. Dit kan aan de orde zijn bij: acculaden (waterstofgas), op plekken waar gasontwikkeling op kan treden (tanks, silo's, riool), door brandbare gassen of dampen (bijvoorbeeld flessenstation voor lasgassen, ammoniakinstallatie) en mogelijk bij gebruik van poeders zoals kruiden.
- De plaatsen waar explosierisico's kunnen ontstaan zijn volgens de ATEX-richtlijn gezoneerd. De beoordeling wordt uitgevoerd door een deskundige met aantoonbaar voldoende technische kennis op dit gebied.
- Waar op grond van de zonering nodig, is voldoende ventilatie en aarding van installatiedelen gerealiseerd (ook bij (overgangen in) kunststofslangen/leidingen).
- De gebieden waar explosierisico's kunnen ontstaan zijn vrij van ontstekingsbronnen en uitgerust met explosieveilige apparatuur (ook verlichting).
Ook zijn deze ruimtes of zones duidelijk gemarkeerd met borden.
- De opslaginstallaties (tanks, silo's, containers) en bijbehorende installatiedelen moeten veilig zijn uitgevoerd. Zowel de stevigheid van de constructie als de voorzieningen die explosies en andere gevaren moeten voorkomen zijn berekend op de belading.
- Dit is door een erkende firma beoordeeld en wordt ten minste jaarlijks gecontroleerd.
- De tanks en silo's zijn o.a. uitgerust met beveiliging voor overbelading, aarding, bliksembeveiliging (voor buiten opgestelde silo's) en explosieluiken.
Veranderingen of reparaties aan silo's worden alleen gedaan door of onder controle van een gespecialiseerd bedrijf.
- Als er een tankplaats is of op andere manieren voorraad brandstof wordt gebruikt, dan zijn deze plaatsen op een veilige manier ingericht om brand- en explosierisico's tegen te gaan. De ventilatie is altijd voldoende en ontstekingsbronnen worden uit de buurt gehouden. Ook is de inademing en huidblootstelling aan deze stoffen tot een minimum beperkt.
- Er wordt in een overdekte ruimte niet met heftrucks, reachtrucks e.d. gereden als zij diesel of gas als brandstof hebben. Daar kan alleen met elektrotrucks. Alleen bij uitzondering kan gekozen worden om gas(hef)trucks te gebruiken: bij het verplaatsen van zware lasten die het hefvermogen van elektrotrucks te boven gaan. Denk bijvoorbeeld aan het verplaatsen van productiemachines of gebouwdelen.
Eisen m.b.t. lassen
- Bij laswerkzaamheden, bv door de technische dienst, komt lasrook vrij. Werknemers die aan lasrook worden blootgesteld, lopen het risico stoffen in te ademen die ondermeer schade aan de luchtwegen kunnen veroorzaken. Ook kunnen laswerkzaamheden tot schade aan de ogen leiden.
- Verricht de laswerkzaamheden, voorzover redelijkerwijs mogelijk, in een speciaal ingerichte lascabine, bv in de TD-werkplaats, voorzien van puntafzuiging met een flexibele slang, lastafel met randafzuiging of lastoortsafzuiging.
- Wordt op verschillende plekken in de werkplaats gelast, dan moet de lasrook op meerdere plaatsen worden afgezogen (bijv. met mobiele afzuigunits).
- Zorg in de werkplaats waar wordt gelast ook voor ruimteafzuiging en ventilatie. Laat door een deskundige het vereiste ventilatievoud berekenen. Voorkom recirculatie.
- Ga op zoek naar een lasmethode die zo weinig mogelijk blootstelling aan lasrook geeft.
- Maak de vlakken die gelast moeten worden zo schoon mogelijk (vrij van verfresten, roest e.d.). Dit zorgt voor een schoner lasproces.
- Bepaal de blootstelling door lasrookmetingen of maak gebruik van een erkende beoordelingsmethode.
- Medewerkers maken tijdens het lassen gebruik van een lasbril/laskap, lashandschoenen en lasschort.
- Zorg voor een doeltreffende voorlichting over de gezondheidsgevaren van lasrook en over het gebruik van beschermende maatregelen.
In de pluimveeverwerkende industrie komt het lassen van roestvrij staal (RVS) incidenteel voor. Het betreft kortdurende lasactiviteiten. Bij het lassen van RVS komt het kankerverwekkende Chroom-6 vrij. Daarom gelden daarbij de volgende extra voorschriften:
- Vermijd, waar mogelijk, het lassen van roestvrij staal, bv door in plaats daarvan te schroeven of defecte onderdelen te vervangen, of besteedt het uit aan een gespecialiseerd bedrijf;
- Bij MIG/MAG lassen van roestvrij staal of ander chroomhoudend metaal kan er meer Chroom-6 vrijkomen dan bij andere lasmethoden. Pas het MIG/MAG lassen daarom zo weinig mogelijk toe. Als MIG/MAG lassen redelijkerwijs niet uit te sluiten is, kies dan elektrodemateriaal met een zo laag mogelijk chroomgehalte. Aanvullend op de bronafzuiging draagt de lasser dan een aangeblazen luchtkap met een P3 filter. MIG/MAG lassen kan niet plaatsvinden buiten een speciaal ingerichte lascabine. Uit onderzoek op www.5xbeter.nl blijkt dat bij het veelvoorkomende TIG-lassen de grenswaarde van Chroom-6 niet overschreden wordt, als de lasser een verbeterde laskap draagt (of een aangeblazen lashelm met een nog beter beschermingsniveau). Een verbeterde laskap is een lashelm met slabafdichting op de borst, of waarbij de kap zodanig is voorgevormd dat deze goed aansluit op de borst van de lasser. Uit metingen blijkt daarnaast dat ook buiten de lashelm de blootstelling aan Chroom-6 erg laag is. Omdat het gaat om een kankerverwekkend proces is het zaak om ook bronafzuiging toe te passen, als dat technisch mogelijk is. Voor effectieve werking moet de afstand tussen het werkstuk en de afzuiging niet groter zijn dan de diameter van de afzuigmond.
- Minstens eenmaal per jaar wordt (conform 4.19 a van het Arbobesluit) voorlichting en instructie verzorgd aan medewerkers die RVS lassen, zodanig dat zij voldoende kennis hebben van de risico’s en van de voorzieningen om hun blootstelling te beperken.
Zie voor meer informatie over (las)werkzaamheden aan Chroom-6 de informatie van de Nederlandse Arbeidsinspectie
Wensen bij lassen:
- Zorg bij laswerkzaamheden van RVS in productieruimten voor een mobiele afzuigunit, die is voorzien van een flexibele slang en met filter, die voldoende vaak wordt vervangen;
- Als in de productieruimten de mobiele afzuigunit niet bruikbaar is, bijvoorbeeld vanwege de hoogte van de uit te voeren werkzaamheden, draagt de lasser bij het lassen van RVS een aangeblazen luchtkap met een P3 filter.
Eisen m.b.t. gebruik en opslag van gasflessen
Het gebruik van gasflessen, bijvoorbeeld bij laswerkzaamheden, brengt risico's met zich mee. Daarom zijn de volgende maatregelen van kracht:
- Gasflessen moeten rechtop staan en goed vastgezet worden tegen omvallen, bijvoorbeeld met ketting of klem aan de muur of in een speciale kar, zuurstofflessen gescheiden van gasflessen.
- Er wordt voorkomen dat gasflessen bij een warmtebron staan. Gasflessen zijn voorzien van afsluitsleutels en reduceerventielen. Regelmatig worden de afsluitingen van gasflessen gecontroleerd.
- Bij flessen met stikstof is extra alertheid nodig voor verstikkingsgevaar, dus wordt er extra goed geventileerd.
- De opslag van gasflessen bevindt zich niet in de werkplaats, maar bij voorkeur buiten (afgeschermd tegen zonnestralen om verhitting en explosie te voorkomen) en niet in kelderruimtes, waar gas (bij lekken van het ventiel) zich kan ophopen.
Bij vervoer zijn gasflessen voorzien van een cilinderkap.
- Voor overige eisen: zie de laatst verschenen versie van PGS-15
- Medewerkers zijn goed geïnstrueerd hoe veilig met gasflessen te werken. Zie daarvoor de eisen aan voorlichting en onderricht in de Richtlijn Beleid gevaarlijke stoffen.
- Forse blootstelling aan kruiden kan tot gezondheidsklachten leiden. Daarom moet bij het afwegen en hanteren van verpakkingen zorgvuldig gewerkt worden en verspreiding in de lucht worden tegengegaan.
- Beoordeel de blootstelling van werknemers aan kruiden tijdens het afwegen, vergelijk die met eventuele publieke of private grenswaarden en pas waar nodig adequate maatregelen toe. (denk bijvoorbeeld aan afzuiging en beoordeel of deze maatregelen afdoende zijn.).
- Stel werkvoorschriften op over het werken met kruiden en toets of hier ook zorgvuldig mee gewerkt wordt.
- Maak een voorschrift over het zodanig opruimen van lege verpakkingen kruiden dat dit niet tot stofverspreiding leidt.
- Bij het roken van producten kan door onvolledige verbranding het gevaarlijke koolmonoxide (CO) vrijkomen. Afhankelijk van het type rookapparatuur, de afmeting van de ruimte, de afzuiging en ventilatie kan een gevaarlijke situatie ontstaan. Laat door een deskundige beoordelen of het nodig is dat er in deze ruimte detectieapparatuur wordt geplaatst die werknemers waarschuwt als het CO-gehalte in de gevaarlijke zone dreigt te komen.
- Betreedbare rookkasten moeten voor betreding geventileerd worden. Er is geen gevaar op beknelling/vast komen zitten. Er is toezicht om bij calamiteiten hulp te bieden. Branddetectie en oververhitting is technisch bewaakt. Deuren sluiten goed, maar zijn niet vergrendelbaar. Boven de deur van de rookkast is voldoende afzuiging aanwezig die vrijkomende rook en warmte goed invangt. Voor het schoonmaken zijn goede voorzieningen beschikbaar, medewerkers zijn bekend met en beschermd tegen de risico's van de gebruikte chemicaliën.
In het ketelhuis bevinden zich de stoomketels en installaties als pompen e.d.. Stoomketels werken onder hoge druk, afhankelijk van de ketelsoort zelfs boven 150 bar. De stoominstallatie moet dan ook voorzien zijn van drukveiligheden en droogkookveiligheden. Vaak wordt er aardgas gebruikt om de ketels te stoken, maar soms ook biogas. Beide soort gassen zijn brandbaar en kunnen bij lekkage ook leiden tot een explosie. Binnen het bedrijf moet op basis van de ATEX-richtlijn in kaart zijn gebracht of er sprake kan zijn van explosierisico's. De plaatsen waar explosierisico's kunnen ontstaan zijn volgens de ATEX-richtlijn gezoneerd. De beoordeling wordt uitgevoerd door een deskundige op dit gebied.
De gebieden waar explosierisico's kunnen ontstaan zijn vrij van ontstekingsbronnen, zoals niet-explosieveilige apparatuur en verlichting, open vuur en vonken die onder andere vrijkomen tijdens lassen, branden en slijpen. De EX-ruimtes of -zones zijn duidelijk gemarkeerd met borden. Bovenstaande zaken worden vastgelegd in het explosieveiligheidsdocument (EVD), dat voortdurend actueel wordt gehouden. Zorg in de ketelhuisruimte voor goed onderhouden detectors met ingestelde alarmering op grond van de voorschriften van de een gespecialiseerde installateur.
Diverse installaties worden toegepast waarin verontreiniging wordt afgevangen (gaswassers, ontzwaveling, filters van klimaatbeheersing of afzuiginstallaties, vetvangers en waterzuiveringsinstallaties). Dit betekent dat zich hierin verontreiniging in geconcentreerde vorm kan bevinden. Ook wordt bij deze installaties gewerkt met chemicaliën.
De technieken van zuiveringsinstallaties en de gebruikte gevaarlijke stoffen kunnen erg verschillen en daardoor ook risico’s. Bekende gevaren bij zuiveringsinstallaties zijn o.a. vergiftiging door zwavelwaterstof, verstikking door zuurstoftekort, aantasten van huid en ogen door bijtende stoffen, besmetting door biologische agentia, verdrinkingsgevaar bij open waterzuivering, brand en explosie door o.a. vrijkomen van zwavelwaterstof.
- Stel met een risicobeoordeling vast welke risico’s er in uw specifieke situatie zijn en welke beheersmaatregelen nodig zijn voor de zuiveringsinstallatie die u gebruikt.
NB. In de sector Pluimveeverwerking is een explosieveiligheidsdocument voor de zuiveringsinstallatie alleen nodig als daar biogas wordt gewonnen.
- Zorg dat betrokken medewerkers voldoende kennis van risico's en veilig werken met deze installaties hebben en de beschikking hebben over voldoende beschermende voorzieningen. Maak veiligheidsinstructies voor de werkzaamheden aan de zuiveringsinstallaties.
- Let ook op dat er geen risico's ontstaan door alleenwerken op deze vaak geïsoleerde werkplekken: doe dit werk bij voorkeur met ten minste twee personen en gebruik anders een aanmeld- en afmeldsysteem, zodat direct wordt opgemerkt als medewerkers iets zou overkomen.
- Leg vast bij welke werkzaamheden welke PBM gedragen moeten worden en voorzie medewerkers van een passend PBM-pakket voor het werken met verontreinigingen en chemicaliën.
- Alle installaties onder druk of waarin zich gevaarlijke stoffen bevinden (CO2, gas, stoom, lucht, hydrauliek) worden jaarlijks gecontroleerd en onderhouden Of volg de gebruiksaanwijzing van de leverancier als daarin een hogere frequentie wordt vermeld;
Zie de algemene eisen inzake reiniging- en ontsmetting in de Richtlijn Schoonmaak en onderhoud.
- Plaats, in verband met fijnstof, de printers en kopieerapparaten met meer dan 5.000 afdrukken per maand buiten een kantoorruimte.
- Bij meer dan 50.000 afdrukken per maand is een aparte reproruimte vereist, met bronafzuiging.
- Er is een actueel bedrijfsnoodplan waarin is geregeld wie wat doet om doeltreffend handelen bij calamiteiten te garanderen. Denk daarbij aan ongewenste gebeurtenissen met ammoniakinstallaties en andere technische gassen, gevaarlijke stoffen of gasflessen.
- Alle medewerkers die blootgesteld worden aan gevaarlijke stoffen en de BHV'ers beschikken daar waar nodig over geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen. Dat is nodig in die situaties waar de blootstelling aan gevaarlijke stoffen hoger is dan de grenswaarde en bovendien bronaanpak of technische of organisatorische maatregelen nog niet toereikend zijn. Denk bijvoorbeeld aan werken met accuzuur en aan schoonmaakwerk.
- Voor adembescherming tegen gassen en dampen zijn verschillende soorten filters beschikbaar. Er moet eerst zijn vastgesteld of er voldoende zuurstof aanwezig is op de plekken waar deze gebruikt worden. Voor bescherming tegen stof zijn filters met een uiteenlopende fijnheid beschikbaar. Gebruik minimaal P2. Let bij de aanschaf en gebruik dus altijd op of het PBM ook werkelijk beschermt tegen de stof/gas/damp die aan de orde kan zijn.
- Waar de gezichtshuid of ogen beschadigd kunnen worden, gebruiken medewerkers geschikte oog- of gelaatbescherming. Denk aan risico's van ammoniak, accuzuur, agressieve schoonmaakmiddelen, zagen boren of slijpen van materialen, las- en snijwerkzaamheden (UV-straling). Let er ook op dat het materiaal waaruit de beschermende middelen zijn gemaakt bestand is tegen de stoffen respectievelijk de straling waartegen het middel moet beschermen. Zorg ervoor dat je goed door het materiaal heen kunt kijken (geen krassen of verkleuringen, e.d.). Denk aan spatbrillen, gelaatschermen, laskappen.
- Bij werken met corrosieve of irriterende stoffen hebben medewerkers die schoonmaakwerk doen de beschikking over handschoenen en een veiligheidsbril. Bij het schoonspuiten (nevel) en bij stofvormige verontreinigingen hebben ze de beschikking over een stofmasker dat beschermt tegen stoffen en biologische agentia.
Waar nodig is de werkkleding bestand tegen chemicaliën (sterke zuren en basen, ammoniak).
- Zie verder de bepalingen in de Richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen.
Eisen aan leidingen en reservoirs
Reservoirs en leidingen die gevaarlijke stoffen bevatten, moeten zijn gemarkeerd met de relevante gevarenpictogrammen. Deze pictogrammen dienen te zijn geplaatst op de zichtbare zijde, in de nabijheid van de meest gevaarlijke plaatsen, zoals kleppen en aansluitingspunten. Zie toe dat de hechting van de markering en de kleurvastheid in de loop der tijd goed blijft.
Zie ook:
Goede praktijken:
|